Het andere

 

Het geschenk van liefde kwam mij toe, bijna oneindig zoekend, vond me overpeinzend in de holst van de nacht.

 

Ik was verdwaald, jarenlang ongeduldig, met diepte, door eigenwaan gevuld.

 

Wilde dieren staarden me aan, voorovergebogen eenzaamheid uit een zwarte stoel gekropen, kijkend, naar binnen.

 

Ik zag alleen niet-ik, zag violette blauw, en voelde - tintelingen, rillingen, levenskracht.

 

Gouden lucht blies over de vlaktes, waakzaam werd iedereen 'onverdacht'.

 

Je had ons uit isolatie losgerukt, omhooggestuwd ver weg van verwilderde namen.

 

't Moment waarop de tijd zelfs had gewacht, jouw aanblik vroeg mij vragend 'waar is je liefde?'

 

Ik antwoordde fluweel, met zilverwitte woorden en zachtblauwe penceel.

 

Over het anders-zijn van de ander, over het andere als andere, over een ík die buiten zichzelf geraakt.