
Het andere
Het geschenk van liefde kwam mij toe, bijna oneindig zoekend, vond me overpeinzend, door 't donkere water heen.
Ik was verdwaald, jarenlang ongeduldig, een rivieroever van tranen met eigenwaan gevuld.
Daar stond ik dan, wilde dieren staarden me aan, voorovergebogen eenzaamheid uit een zwarte stoel gekropen, kijkend, naar binnen.
Ik zag alleen niet-ik, hoorde jou, ongezongen lied en voelde - tintelingen, rillingen, levenskracht.
Gouden lucht blies over de barre vlaktes, waakzaam werd iedereen 'onverdacht.'
Wat was er gebeurd?
Je had ons uit isolatie losgerukt, omhooggestuwd ver weg van verwilderde namen.
't Moment waarop de tijd zelfs had gewacht, jouw aanblik vroeg mij vragend 'waar is de zee?'
Ik antwoordde fluweel, met zilverwitte woorden en staalblauwe penceel.
Over het anders-zijn van de ander, over het andere als andere, over een ík die buiten zichzelf geraakt.
