
Elf uur
Het is zondagochtend
Een aurelia vlinder vliegt van m'n hand
Naar donkere vlekken op 't perzikkruid
Boven m'n schuurtje zit een schuwe duif, met roze borst
En in de lucht vliegt een pimpelmeesje lawaaiig weg.
Duizendmaal heb ik me de vraag van betekenis gesteld
Door de stilte, gaf ik op en werd ontroerd.
Pas toen verlangen ophield, kwam er rust over mij.
Gematigd openen alle deuren.
Zondagochtend, een wilde kat springt van de schutting
Huppelt door 't jadegroene gras
Verderop, een Japanse sierappel met dichte kroon van gebogen twijgen
De klok van de kerk luidt; het is pas elf uur,
Als een goudpaarse kever glanst, in witte gedaante.
