Ontdek, één te worden, twee te blijven

Wat gebeurt er wanneer het vanzelfsprekende ik zijn greep op de werkelijkheid verliest? En wat ontstaat er wanneer we niet uitsluitend spreken over degene die een psychose heeft ervaren, maar ons werkelijk tot hem, haar of hen wenden - niet als object van onderzoek, maar als mens in ontmoeting?

Ontdek, één te worden, twee te blijven is een fotografisch en poëtisch onderzoek naar waanzin, identiteit, werkelijkheid en ontmoeting. Het werk is ontstaan vanuit wandelingen, observaties en ervaringen waarin de verhouding tussen mijzelf en de wereld veranderde. Licht, water, bloemen, landschappen en stilte, werden daarbij niet alleen fenomenen om te aanschouwen, maar manieren om opnieuw te leren kijken. Als een zoektocht naar nieuwe ogen.

De titel vormt de kern van het werk. Eén te worden, twee te blijven verwijst naar een verlangen naar verbondenheid zonder dat het onderscheid tussen ik en ander verdwijnt. Het is de paradox van de ontmoeting: dichter bij de ander komen zonder de ander in jezelf op te lossen; geraakt worden zonder bezit te nemen; verbonden raken zonder het verschil uit te wissen.

Juist daar wordt het vanzelfsprekende ik kwetsbaar. Zolang de wereld zich laat ordenen volgens onze verwachtingen, kunnen we onszelf gemakkelijk als middelpunt ervaren: als degene die kijkt, benoemt, begrijpt en betekenis geeft. Maar wat gebeurt er wanneer iets verschijnt dat zich niet laat onderbrengen in onze bestaande categorieën? Wanneer het andere werkelijk anders blijkt?

Dan kan het ik niet langer volledig op zichzelf terugvallen. De ontmoeting opent een ruimte waarin niet alleen de wereld verandert, maar ook degene die kijkt.

Vanuit die gedachte onderzoek ik de verhouding tussen rede en waanzin. Wat wij als waanzin beschouwen, is niet altijd hetzelfde geweest. De betekenis ervan verandert met de tijd, en daarmee verandert ook de manier waarop de samenleving zich verhoudt tot degenen die als waanzinnig worden beschouwd. In verschillende historische en culturele contexten kon waanzin worden verbonden met het symbolische, het morele of het spirituele; binnen de moderne psychiatrie werd zij steeds sterker een object van observatie, classificatie en behandeling.

Mijn werk wil deze perspectieven niet eenvoudig tegenover elkaar plaatsen. Het medische perspectief heeft betekenis en een psychose erkennen als psychiatrische problematiek blijft voor mij staan. Tegelijkertijd wil ik ruimte maken voor de geleefde ervaring: voor wat iemand tijdens en na een psychose ervaart, voor de vragen die daarin kunnen ontstaan, en voor de mogelijkheid dat zulke ervaringen, zonder letterlijk waar te zijn, existentiële betekenis krijgen.

Mijn eigen ervaringen vormen daarom geen bewijs voor een alternatieve werkelijkheid en evenmin een romantisering van psychose. Ze vormen het vertrekpunt van een onderzoek. Wat gebeurt er met identiteit wanneer vertrouwde grenzen tussen binnen en buiten, tussen zelf en wereld tijdelijk verschuiven? Wat blijft er over wanneer zekerheid plaatsmaakt voor verwondering?

Fotografie en poëzie zijn mijn manieren om deze vragen niet voortijdig te beantwoorden.

Een foto kan iets zichtbaar maken zonder het volledig te verklaren. Een gedicht kan iets aanraken zonder het vast te leggen. Licht verandert een landschap zonder dat het landschap zelf verandert. Een vogel die over het water vliegt, verschijnt misschien slechts als een blauwe flits - aanwezig, maar bijna onmiddellijk weer verdwenen. Juist in die verbazing ontstaat aandacht.

Daarom gaat dit werk uiteindelijk niet alleen over 'wat' ik heb gezien, maar over 'hoe' we kijken.

Kijken is nooit volledig neutraal. We kijken vanuit verwachtingen, herinneringen, verlangens en categorieën. Maar soms verschijnt er iets dat zich daaraan onttrekt. Kleur, weerspiegeling, dauw, een ander mens. Iets dat niet onmiddellijk hoeft te worden verklaard om werkelijk te worden ontmoet.

Daarin ligt voor mij de waarde van aandacht: niet alles onmiddellijk naar onszelf toetrekken, maar ruimte laten voor wat zich aandient.

De ontmoeting met het andere vraagt daarom niet noodzakelijk om een oplossing. Misschien vraagt zij eerder om een vorm van ontvankelijkheid. Bereidheid om even niet te weten. Om te erkennen dat de werkelijkheid groter kan zijn dan de categorieën waarmee wij haar proberen te ordenen.

Zo ontstaat een ruimte tussen rede en waanzin, tussen ik en ander, tussen psychiatrische verklaring en geleefde ervaring, tussen weten en verwondering.

Die ruimte is geen compromis en geen nieuwe waarheid.

Het is een paradoxale tussenruimte.

Een plek waarin het onbekende niet onmiddellijk hoeft te worden beheerst. Waarin ervaring niet automatisch tot waarheid wordt verheven, evenmin wordt gereduceerd tot een defect. Een plek waarin verschil en verbondenheid naast elkaar kunnen bestaan.

Daarom eindigt dit werk niet met een antwoord.

Het nodigt uit tot een gesprek.

Een wijsgerig antropologisch gesprek over de betekenis van waarachtige ontmoetingen, over de betekenis van samenleven. Over hoe constant, samen te blijven worden.

Ontdek, één te worden, twee te blijven.